Fries-Hollands ras

Het Fries-Hollands rund is ontstaan in de 19de eeuw en aan het einde van deze eeuw beschreven in het daarvoor opgezette stamboek. De koeien zijn ongeveer 500-550 kg zwaar, stieren bereiken wel een gewicht van 1000 kg. De dieren moeten scherp begrensde zwarte velden op voor-, achter- en middenhand hebben. Op de kop heeft zij een kol of een bles. De benen zijn bijna altijd wit. In het verleden werd tegen losse zwarte vlekjes op de benen geselecteerd en baggerbont is ook nu niet gewenst. De horens groeien krom naar binnen.

 

De dieren hebben veel inhoud, gewelfde ribben en een horizontaal kruis, een diep en breed kossum op gelijke hoogte als de achterhak. Het uier is goed aangehecht. De dieren zijn bespierd, het Fries-Hollandse ras is een dubbeldoel ras met meer nadruk op melkproductie. Enige wig vorm (melktype) is dan ook gewenst. De melkproductie ligt onder gangbare omstandigheden gemiddeld op 7500 kg melk met 4,5% vet en 3,52% eiwit. Deze productie behaalt zij met een rantsoen met veel ruwvoer.

 

Het ras wordt gehouden op diverse bedrijfstypen en kan overal in de wereld worden aangetroffen. Vooral in gebieden waar melk geproduceerd wordt op basis van gras is het ras het meest populair.