Fundamentfokkerij

In 1990 heeft de vereniging een fundament van fokbedrijven of nucleusbedrijven opgezet die elk zoveel mogelijk fokken met stieren uit de eigen populatie. Zij doen dit volgens de zogenaamde ‘Familieteelt’. Dit houdt in dat elk bedrijf jaarlijks minimaal vier tot vijf nieuwe jonge stieren uit verschillende families selecteert en deze stieren als ze dekrijp zijn, een jaar lang gebruikt op een evenredig deel van de populatie en op een zodanige wijze dat elk nieuw geboren dier maximaal eenmaal een zelfde dier in de derde generatie van de stamboom heeft. Met dit aantal stieren lukt dat als er consequent wordt gewerkt. De stieren worden geselecteerd uit de beste koeien van de verschillende families. Er zijn doorgaans wel zeven tot wel 15 verschillende families (moederlijnen; de Aafkes, Jetjes ect.) op een bedrijf aanwezig. Deze families behoren tevens evenredig stieren te leveren voor het systeem zodat de genen maximaal worden gespreid binnen een populatie, hoe klein die ook is.

 

De selectie begint met het selecteren van geschikte stiermoeders uit verschillende families/moederlijnen. Voor 5 stieren zijn al gauw 12-15 potentiële moederdieren nodig waaruit vervolgens gemiddeld zes tot acht stiertjes dieren worden geboren. De mooiste en beste stieren worden geselecteerd en na verloop van tijd wordt een keuze gemaakt welke echt zullen worden ingezet. Deze keuze hangt af van de getoonde levenskracht en ontwikkeling van de dieren en de verdeling van de verschillende geselecteerde dieren over verschillende moederlijnen want zoveel mogelijk spreiding is immers gewenst. Ook van een wat minder goede moederlijn moeten zo nu en dan stieren worden ingezet.

Vervolgens moeten de stieren koeien en pinken dekken waarmee zij het minste verwant zijn terwijl dus elke stier een evenredig deel van de kudde dekt. Bij 100 melkkoeien moet met vijf 5 stieren dan elke stier ongeveer 20 dekkingen verrichten. Om teveel inteelt te voorkomen moet men van te voren uitzoeken met welke koeien een stier gepaard mag worden. Maximaal 1 dier het zelfde in de derde generatie is dus het streven. Dit kan worden ondersteund door een computerprogramma. Deze werkwijze dient elk jaar opnieuw herhaald te worden, dus elk jaar nieuwe stieren en deze evenredig inzetten in de fokpopulatie.

 

Wanneer steeds vier tot vijf stieren worden gebruikt blijft er voldoende ruimte over om gericht bepaalde eigenschappen in dieren te combineren. Een koe kan bijvoorbeeld met twee of drie van de vijf stieren worden gepaard.

 

In de vierde en hogere generaties komen naar verloop van tijd steeds meer dezelfde dieren voor. Hierdoor ontstaat matige inteelt in de populatie. Maar de veestapel wordt ook steeds uniformer en past zich aan aan het bedrijf. Door een sterke selectie op levenskrachtige dieren en tegen eventuele verschijnselen van inteelt, kan men zo een veestapel fokken waarin de gewenste eigenschappen sterk verankert worden.